| |

De tempel van Artemis in Efeze, ook Artemision
geheten (Oud-Grieks:
ὁ
ναὸς
τῆς
Ἀρτέμιδος
Ἐφεσίης
/ ho naòs tês Artémidos Ephesíês, τὸ
Ἀρτεμίσιον
/ tò Artemísion; Latijn: Templum Dianae Ephesi(n)ae of Artemisium
Ephesi(n)um) was het grootste tempelgebouw van de oudheid en
behoorde tot de "zeven klassieke wereldwonderen"[1]. Deze tempel was
een van de heiligdommen ter ere van de maagdelijke jacht-,
vruchtbaarheids- en maangodin Artemis (Diana), een voor de Grieken
zeer belangrijke godin, met een oorsprong als Moedergodin in
Anatolië. De Artemiscultus was namelijk nauw verwant met die van
Kubele of Cybele. De tempel van Artemis van Efeze lag in het huidige
Turkije bij Selçuk niet ver van Izmir. De latere Hellenistische stad
werd gezegd een fabelachtige rijkdom te bezitten en gold later – als
hoofdstad van de provincia Asia – als een van de grootste steden van
de oudheid.
Tempel van Artemis in Efeze
Voetnoten
Referenties
Links
Het
heiligdom te Efeze was veel ouder dan het Artemision zelf.
Pausanias[2] meende te weten dat het heiligdom van Artemis er al
zeer lang voordien was. Hij zegt met zekerheid te weten dat het
reeds jaren voor de Ionische migratie bestond en zelfs ouder was dan
het profetische heiligdom van Apollon in Didyma. Hij zei dat de
pre-Ionische bevolking van de stad Leleges en Lydiërs waren.
Kallimachos[3] schreef in zijn Hymne aan Artemis de oorsprong van de
temenos te Efeze toe aan de Amazonen. Kallimachos vermoedde dat de
eredienst van deze Amazonen reeds draaide rond een cultusbeeld
(bretas).
Opgravingen
door David George Hogarth[4] van voor de Eerste Wereldoorlog,
waarbij drie opeenvolgende over de vorige gebouwde tempels werden
geïdentificeerd (tempel "A" - "C"), en corrigerende nieuwe
opgravingen in 1987-1988[5] hebben Pausanias' stelling bevestigd.
Testgaten, samen met een reeks van aardewerkvondsten die teruggaan
tot de midden-geometrische periode, toen de peripterostempel met
kleivloer werd gebouwd (tweede helft 8e eeuw v.Chr.), hebben
aangetoond dat de site reeds in de bronstijd werd bewoond[6]. De
peripterostempel van Efeze was het vroegste voorbeeld van een
peripterostype op de Klein-Aziatische kust en misschien de vroegste
door zuilen omringde Griekse tempel.
In de zevende eeuw vernietigde een overstroming de
tempel en liet meer dan een halve meter zand en rommel verspreid
over de voormalige vloer van aangestampte klei achter[7]. Anton
Bammer merkt op dat hoewel de onder overstromingen lijdende site
tussen de achtste en zesde eeuw ongeveer twee meter werd opgehoogd
en nog eens 2,4 m tussen de zesde en de vierde, de plaats werd
behouden, waaruit men kan concluderen dat de site een belangrijke
rol speelde in de cultus[8]
De tempel (archeologisch: tempel "D") werd in Efeze
na de verwoesting van de eerdere tempels "A" - "C" (ten dele uit
hout opgetrokken constructies) in een moerassig gebied herbouwd.
De bouw van deze nieuwe tempel, die nu uit marmer
werd opgetrokken - zoals vaak met aanvankelijk houten tempels
gebeurde - vergde een ongebruikelijke 120 jaar, vanaf de eerste
steenlegging rond 560 v.Chr. De toenmalige bouwheer was koning
Croesus van Lydië. De eerste architect was Rhoikos van Samos[9], dan
Chersiphron van Knossos[10] en zijn zoon Metagenes[11], en tenslotte
Demetrios en Paionios uit Efeze zelf[12], die hem rond 440 v.Chr. na
de beëindiging van de Perzische oorlogen voltooiden. De bouw was
uiterst moeilijk, omdat de tempel bestond uit 127 rijk versierde
marmerzuilen van 18 m hoog op een oppervlakte van 115 m op 55 m, die
buitengewoon zware dwarsbalken droegen[13]. De peripteros bestond nu
uit twee rijen zuilen, waardoor een brede ceremoniële doorgang rond
de naos ontstond. Het dak werd vervaardigd uit cederhout[14].
De beschrijving van deze tempel komt vooral van
Plinius de Oudere. Het totale complex had een oppervlakte van ca.
8000 m². Volgens de overlevering waren in oeroude tijden de Amazonen
ook de stichteressen van de stad Efeze geweest en op de friezen rond
de tempel waren inderdaad talloze reliëfs met o.m. Amazonen
aangebracht, gemaakt door Griekse beeldhouwers die de tempel
aankleedden: Polyclitus, Pheidias, Cresilas, en Phradmon. Er waren
eveneens schilderijen, en zuilen belegd met goud en zilver. Volgens
Plinius heeft Scopas basreliëfs op de tempelzuilen aangebracht. Deze
zuilen waren uit marmer vervaardigd en de delen werden aangevoerd
uit groeven op 10 km van de plek vandaan. De techniek daartoe
bestond erin de uitgehakte marmerbalken zijdelings van reusachtige
houten wielen te voorzien die met pinnen in de uiteinden werden
verankerd. Daarna werd deze constructie met een ossenspan op weg
getrokken. Ook de lange rechthoekige architraven konden mits enige
aanpassing van de techniek op die manier worden vervoerd.
De tempel viel op 21 juli 356 v.Chr. ten prooi aan
een brandstichting door Herostratos[15]. Hij deed dit uit
geldingsdrang: zijn opzet, door het afbranden van het wereldwonder
beroemd - en aldus onsterfelijk - te worden, is hem gelukt. Volgens
de legende zou in de nacht van de brand Alexander de Grote zijn
geboren, die later ook zeer grote financiële hulp bood voor de
wederopbouw van de tempel. Vanaf 325 v.Chr.) werd de tempel
gerenoveerd. De reusachtige nieuwbouw (tempel "E") werd uitgevoerd
door de Efezische architect Cheirokrates, die op het puin van de
bouwwerken van zijn voorgangers een groter areaal (125,67 x 65,05
m², 2 m hoog) als basis nam voor een nieuwe, nog prachtigere tempel
met stenen dak[16].
Deze
wederopbouw werd op haar beurt vernietigd tijdens een overval door
de Goten in 262, in de tijd van keizer Gallienus: « Respa, Veduc en
Thuruar, leiders van de Goten, gingen aan boord en zeilden over de
zee-engte van de Hellespont naar Asia. Daar verwoesten zij vele
dichtbevolkte steden en zetten vuur aan de vermaarde tempel van
Diana in Efeze. »[17] De Efeziërs herbouwden de tempel opnieuw.
In Efeze zou volgens de tweede-eeuwse Acta
Ioannis[18] Paulus van Tarsus in het openbaar hebben gebeden in de
tempel van Artemis zelf en al haar demonen hebben uitgedreven en «
plotseling viel het altaar van Artemis uiteen in vele stukken ... En
de halve tempel stortte in », waarop de Efeziërs zich onmiddellijk
bekeerden, al wenend, biddend of vluchtend.
De meerderheid van Efeziërs heeft zich
waarschijnlijk in de loop van de vierde eeuw tot het christendom
bekeerd. In 391 werden de heidense tempels door Theodosius I voor
gesloten verklaard. In 401 tenslotte werd de tempel door een bende
onder leiding van Johannes Chrysostomus vernietigd[19], nadat het
eerst nog had dienst gedaan als kerk voor het nieuw opgekomen
christendom. De stenen werden voor de bouw van andere gebouwen
gebruikt. Acht van de ca 18 meter hoge, donkergroene pilaren zijn te
bezichtigen in de Aya Sofia, waar zij werden gebruikt voor het
(aanvankelijk christelijk) prestigieuze kerkgebouw dat nu in het
Turkse Istanbul werd opgetrokken. Op de plaats van de tempel in
Efeze is nog een enkele zuil over. Brokstukken van de tempel worden
bewaard in het Brits Museum in Londen.
De Artemistempel wordt onder meer in het Bijbelboek
Handelingen (Handelingen 19,27) impliciet genoemd als het religieuze
centrum van Efeze. Efeze was volgens dit boek de tempelbewaarster
van de godin; men geloofde dat het grote Artemisbeeld dat in de
tempel stond uit de hemel gevallen was (Handelingen 19,35).
Efezische zilversmeden maakten destijds replica's van de tempel en
van het beeld (Handelingen 19,24).
De christenen muntten bij al hun tijdgenoten uit
door hun eenzijdige benadering van goden die niet de hunne waren.
Een christelijke inscriptie in Efeze[20] geeft aan waarom zo weinig
van de cultusplaats over is:
Bij het vernielen van het misleidend beeld van de
demon Artemis, heeft Demeas dit symbool van waarheid opgetrokken, de
God die alle afgoden verjaagt, en het Kruis van de priesters,
onsterfelijk en overwinnend symbool van Christus."
Het zogenaamde later genoemde Artemisium is op een
andere plaats gebouwd dan waar de tempel stond en is van relatief
recentere datum. Dit werd enige tijd rond de periode van het
Concilie van Efeze het graf van de moeder van Maria genoemd. Tijdens
dit concilie werd ook de Kerk van Maria gebouwd.
De verkleuringen van de aarde, die bij diepgaande
opgravingen werden waargenomen, bevestigen de berichten[21], dat bij
de voorbereiding van het gebied voor de bouw van de tempel houtskool
en leren afdekkingen ter versteviging van de veenachtige ondergrond
zijn aangebracht.
Bij de opgravingen bleek de rijkgevulde
funderingslaag meer dan duizend items te bevatten. Daaronder wat
mogelijk de oudste munten van zilver-goud allooi (electrum) kunnen
zijn. In het puin van de vloed van de zevende eeuw werden de
overblijfselen van een ivoren plaque met een ingekerfde griffioen en
levensboom gevonden, die schijnbaar afkomstig was uit Noord-Syrië.
Belangrijker nog, de vloedgolf begroef tegen de noordermuur een hoop
materiaal waaronder amberen traandruppels met elliptische doorsnede,
die ooit het houten beeld van de Vrouwe van Efeze hadden gesierd.
Dit xoanon moet door de overstroming vernield zijn.
Er was blijkbaar voor moerasgrond gekozen als
cultusplaats, wat aldus Plinius de Oudere[22] ook een voordeel
opleverde in geval van aardbevingen.
De tempel werd een bedevaartsoord en later een
bezienswaardigheid, die ook bezocht werd door handelaars en
koningen. De meeste bezoekers eerden Artemis met juwelen en allerlei
andere goederen en gaven.
Zie
Artemis van Efeze voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Zoals hierboven reeds vermeld, werd de tempel van
Artemis in de zevende eeuw v.Chr. door een overstroming verwoest.
Door afzettingen van de overstroming was er een ophoping tegen de
noordermuur met daaronder amberen traanvormige druppels met
elliptische dwarsdoorsneden, die ooit het houten cultusbeeld van de
"Dame van Efeze" hadden bekleed: het xoanon (houten cultusbeeld)
moest dus in de vloed zijn vernietigd.
Een nieuw twee meter hoog ebbenhouten of
druivelaren, met goud en zilver bekleed, xoanon werd door Endoios
gemaakt[23][24] en een naiskos (kleine tempelkapel) om het in onder
te brengen werd ten oosten van het openlucht altaar opgericht.
Heraklitos wijdde zijn boek over de logos in de tempel op het altaar
van Artemis.
Bij de brand van 356 v.Chr. ging het houten beeld
waarschijnlijk verloren en er werd een nieuwe kopie vervaardigd.
Deze kopie behield nog veel van de archaïsche trekken die het
origineel moet hebben bezeten, zoals haar statische houding. Kopieën
van het beeld raakten verspreid in het Imperium Romanum. Een mooi
exemplaar is opgegraven in het amfitheater te Leptis Magna.
Opvallend is de dierenriem die rond haar hals loopt
en wijst waarschijnlijk op astrologische elementen in de Efezische
cultus. De twee Victoriae die we aantreffen bij de kopie uit Leptis
Magna ontbreekt in die van Efeze. Sommige kopieën dragen ook een
muurkroon, een populair oosters motief tijdens de hellenistische
periode.
Artemis wordt afgebeeld met dieren aan elke kant van
het hoofd, in de armen, op de borst en op haar kleed. Deze zijn
leeuwen, luipaarden, geiten, griffioenen en stieren. Artemis werd
dan ook wel "Meesteres van de dieren" genoemd. De eivormige
uitsteksels, die vaak zijn omschreven als borsten, stellen
waarschijnlijk stierentestikels voor[25], hoewel het ook mogelijk is
dat het om kalebassen gaat[26]. Wat zeker is, is dat ze symbool
staan voor vruchtbaarheid en dat dit een van de belangrijkste
functies was van Artemis in Efeze.
- Antipater van Sidon
(Anthologia Graeca IX 58); Philon van Byzantium, de Septem Orbis
Mir.
- Pausanias, VII 2.6.
- Callim., in Dian. 237 ff.
- D.G. Hogarth (ed.), Excavations at
Ephesus. The Archaic Artemision, Londen, 1908.
- Bammer, A Peripteros of the Geometric
Period in the Artemision of Ephesus, in Anatolian Studies 40
(1990), pp. 137-160.
- Bammer (Idem, p. 142.)
merkte sommige nog eerdere geplaatste stenen, Myceens aardewerk
en ruwe kleien dierenfigurines op, maar zegt tevens dat: « it is
still to early to come to conclusions about a cult sequence. »
- De vloed kan worden
gedateerd aan de hand van keramiekfragmenten (Idem, p. 141.).
- Idem, p. 144: « this indicates that
maintaining the identity of the actual location played an
important role in the sacred organization. »
- Herodotos, III 60.
- Plinius maior, Naturalis Historia XXXVI
21.95; Strabo, Geographika XIV 1.22; Vitruvius, De Architectura
III 2.7, X 2.11.
- Vitruvius, De Architectura VII intr. 12,
16.
- Vitruvius, De Architectura VII intr. 16.
- Plinius maior, Naturalis
Historia XXXVI 21.95; Strabo, Geographika XIV 1.23.
- Vitruvius, De Architectura
II 9.13.
- Strabo, Geographika XIV
1.22; Plut., Alex. 3; Cic., De Nat. Deor.
II 27; Val. Max., VIII 14 ext. 5; Gell., II 6.
- Strabo, Geographika XI
1.23.
- Jordanes, Getica XX 107.
- Acta Ioannis 37. (Engelse
vertaling!)
- J. Freely, The Western Shores of Turkey:
Discovering the Aegean and Mediterranean Coasts, Londen, 1988,
p. 148.
- Aangehaald door Ramsay MacMullen,
Christianizing the Roman Empire AD 100-400 1984, ch. III
"Christianity as presented" p. 18.
- Plinius maior, Naturalis
Historia XXXVI 21.95
- Plinius' rationalisering
voor de keuze van de cultusplaats hield geen rekening met de
oudheid van deze sacrale plaats.
- Plinius maior, Naturalis
Historia XVI 79.213-216: Plinius' bron was de Romein Mucianus,
die dacht dat het cultusbeeld gemaakt door een zekere "Endoios"
bijzonder oud was, maar de naam van Endoios verschijnt pas in
laat zesde eeuwse Attische inscripties. Aan hem toegeschreven
werken worden door Pausanias vermeld. Het belangrijkste is
echter, aldus LiDonnici (L.R. LiDonnici, The Images of Artemis
Ephesia and Greco-Roman Worship: A Reconsideration, in The
Harvard Theological Review 85 (1992), p. 398.), dat de Efeziërs
zich herinnerden dat een bepaalde beeldhouwer de kopie van het
beeld had gemaakt.
- Athenagoras van Athene
noemt Endoeus, een leerling van Daedalus, als de beeldhouwer van
het grote Artemisbeeld in Efese.
- G. Seiterle, Artemis: Die
Grosse Göttin von Ephesos, in Antike Welt 10 (1979), pp. 3-16;
R. Fleischer, Neues zur kleinasiatischen Kultstatue, in
Archäologischer Anzeiger 98 (1983), pp. 81-93; B. Alroth, Greek
Gods and Figurines, Uppsala, 1989, pp. 25 ff.
- Bammer, A Peripteros of the Geometric
Period in the Artemision of Ephesus, in Anatolian Studies 40
(1990), p. 153.
B. Alroth, Greek Gods and Figurines, Uppsala, 1989.
A. Bammer, A Peripteros of the Geometric Period in the Artemision of
Ephesus, in Anatolian Studies 40 (1990), pp. 137-160.
E. Falkener, Ephesus, and the temple of Diana, Londen, 1862.
(verouderd, maar nog bruikbaar voor de vertalingen
en referenties naar antieke bronnen)
R. Fleischer, Neues zur kleinasiatischen Kultstatue,
in Archäologischer Anzeiger 98 (1983), pp. 81-93.
J. Freely, The Western Shores of Turkey: Discovering the Aegean and
Mediterranean Coasts, Londen, 1988. ISBN 0719543843
D.G. Hogarth (ed.), Excavations at Ephesus. The Archaic Artemision,
Londen, 1908.
W. R. Lethaby, Diana's Temple at Ephesus, Londen, 1908.
L.R. LiDonnici, The Images of Artemis Ephesia and Greco-Roman
Worship: A Reconsideration, in The Harvard Theological Review 85
(1992), pp. 389-415.
R. MacMullen, Christianizing the Roman Empire AD 100-400 1984, ch.
III "Christianity as presented" p. 18.
G. Seiterle, Artemis: Die Grosse Göttin von Ephesos,
in Antike Welt 10 (1979), pp. 3-16.
B.L. Trell, Der Tempel der Artemis zu Ephesos, in
P.A. Clayton - M.J. Price (edd.), Die Sieben Weltwunder, Stuttgart,
1990, pp. 105-133.
The Archaic Temple of Artemis at Ephesos, thebritishmuseum.ac.uk
(2007).
The sculptures of the Archaic Temple of Artemis at Ephesos,
thebritishmuseum.ac.uk (2007).
The Later Temple of Artemis at Ephesos, thebritishmuseum.ac.uk
(2007).
The Artemision of Ephesos, OEAI.at (2002-2007).
A. Bammer, Artemision of Ephesus, in Forum Archaeologiae 4 (1997).
J. Lendering, art. Seven Wonders of the Ancient World, Livius.org
(2007).
Wikipedia
Lees ook:
Efeze,,
Efeze Museum,
Ehhesus,
The Museum of Ephesus,
Intelligencia Ionienne, Fils de Homere |
|